PL
(Patella
Luxatie)
Het normale gebruik van
de poot
Wanneer een kat de achterbenen belast zijn de
knieen en hakgewrichten iets gebogen.
Om het kniegewricht op deze, iets gebogen, wijze te kunnen
belasten, moet de grote spiergroep die voorop het bovenbeen zit,
worden aangespannen.
Deze spier zit bovenaan vast op het bovenbeen en onderaan op het
scheenbeen, net iets onder de knie, door middel van een pees.
Deze pees kennen we als de "kniepees".
Omdat deze pees naar zijn aanhechting toe de buiging van de knie
moet volgen, zou de pees over bot moeten glijden en aan slijtage
onderhevig zijn.
Om dit te voorkomen heeft zich in deze pees een botje
ontwikkeld: de knieschijf.
Bij de kat is dit niet een schijf zoals bij de mens, maar heeft
het botje meer de vorm van een halve koffieboon.
Het aangrijpingspunt van de kniepees op het scheenbeen ligt
recht onder een groeve in het bovenbeen.
De knieschijf, ook wel "patella" genoemd, beweegt op en neer in
deze groeve wanneer de knie gestrekt en gebogen wordt.
De patella wordt in de groeve gehouden doordat de patella door
zijn vorm precies in deze groeve past, door de spierspanning in
de bovenbeenspiergroep en door twee bandjes die in het
gewrichtskapsel ingebed liggen en van de patella recht naar
achteren lopen.
Als wij zitten en ons been gestrekt houden zonder onze spieren
aan te spannen, dan kunnen we met de hand onze knieschijf van
links naar rechts bewegen zonder dat de knieschijf uit de groeve
van ons bovenbeen komt.
Datzelfde hoort ook bij de kat zo te zijn: bij het onbelaste
been is de patella iets heen en weer te bewegen zonder dat deze
uit de groeve komt.

Fig.1
1. bovenbeen
2. bovenbeenspiergroep
3. knieschijf (patella)
4. kniepees
5. patellabandje
6. aanhechting kniepees
7. scheenbeen
Wanneer heeft de kat dit 'knieschijfmechanisme' het meest nodig?
Wanneer een dier loopt wordt, voordat de poot belast wordt, de
voet naar voren gebracht en het been naar voren gestrekt.
Dan wordt de poot belast, de knie iets gebogen en vervolgens
wordt de poot naar achteren gebracht.
In deze gebogen stand van de knie werkt de patella als een soort
katrol waarbij de kniepees voor de knie langs naar het
scheenbeen wordt geleid: bij aantrekken van de bovenbeenspier
kan de knie dan in gebogen stand belast worden.
Als de kat springt, bijvoorbeeld van de grond op het aanrecht,
worden beide achterpoten plotseling en gelijktijdig gestrekt en
worden ook de hals en rug gestrekt en de kop omhoog gebracht.
Door het plotseling strekken van de knieën
(en de andere gewrichten van de achterpoot) stuwt de kat zich
naar voren en springt.
Wat is een
patellaluxatie?
Luxatie betekent letterlijk 'ontwrichting'. We spreken van een
luxatie wanneer een gewricht 'uit de kom' is.
Wanneer de knieschijf niet meer op zijn normale plaats in de
groeve van het bovenbeen ligt maar aan de binnen- of buitenzijde
ernaast, spreken we van een patellaluxatie.
Hoe kan een
patellaluxatie ontstaan?
Wanneer het aangrijpingspunt van de kniepees op
het scheenbeen niet recht onder de groeve in het bovenbeen ligt,
dan loopt de kniepees, met daarin de patella, links of rechts
naast de groeve (Fig. 2).
Wanneer het dier nog heel jong is ligt de patella meestal nog
wel in de groeve maar kan er, door deze verkeerde aanleg van het
aangrijpingspunt, langzamerhand af en toe uit worden getrokken.
Naarmate dit vaker gebeurt, zal de rand van de groeve afkalven
waardoor de groeve ondieper wordt en de patella steeds
makkelijker en vaker luxeert en eventueel zelfs permanent
geluxeerd kan raken. Het gewrichtskapsel en de bandjes zullen
uitrekken.
Ook zijn er dieren die op heel jonge leeftijd al een
patellaluxatie hebben en dan zal de groeve in het bovenbeen zich
niet ontwikkelen: het bovenbeen heeft dan een knotsvormig
uiteinde zonder groeve.
De bovenbeenspieren zullen zich dan niet als strekkers van de
knie, maar als buigers ontwikkelen: het been wordt permanent
gebogen gehouden met een duidelijke streng (de kniepees) naast
de groeve naar het scheenbeen toe.

Fig.2
1. groeve voor de patella
2. kniepees
3. verkeerd aangelegde
kniepeesaanhechting
Wanneer de patella geluxeerd is kan deze aan de binnenzijde of
de buitenzijde van de groeve liggen.
Zoals uit het bovenstaande blijkt kan het voorkomen dat de
patella maar zo nu en dan luxeert, vaak luxeert, of permanent
geluxeerd is. In sommige gevallen is het mogelijk met de hand de
patella uit de groeve te duwen (iets wat normaal gesproken niet
mag kunnen). In andere gevallen kan de patella geluxeerd zijn en
zelfs niet meer met de hand in de groeve worden teruggebracht.
De verschillende vormen van patellaluxatie zijn weergegeven in
tabel I.
Tabel I. Vormen van patellaluxatie
|
Richting: |
luxatie naar mediaal |
verplaatsing naar binnen toe |
| |
luxatie
naar lateraal |
verplaatsing
naar buiten toe |
|
Mate: |
luxabel |
te
verplaatsen (naar buiten en/of naar binnen toe) |
| |
habituele
luxatie |
af
en toe verplaatst |
| |
stationaire
luxatie |
permanent
verplaatst |
| |
reponeerbaar |
terug
te brengen in de groeve |
| |
niet-reponeerbaar |
permanent
verplaatst, niet terug te brengen in de groeve |
Hoe loopt een kat die
patellaluxatie heeft?
Het is mogelijk dat je tijdens het lopen van een dier met
patellaluxatie geen afwijkingen opmerkt.
Soms valt op dat de kat niet meer wil of kan springen. In
ernstiger gevallen kan het voorkomen dat het dier af en toe de
poot niet belast en 'hinkelt', dus met de betreffende achterpoot
één of meerdere stapjes overslaat.
In nog ernstiger gevallen wordt de poot permanent ontlast of
zelfs permanent gebogen gehouden.
Deze aandoening kan éénzijdig voorkomen of beiderzijds.
Het zal duidelijk zijn dat een dier met een beiderzijdse
patellaluxatie meer gehandicapt is dan een dier met een
éénzijdige patellaluxatie, zeker als het een ernstige vorm
betreft.
Kan er iets aan
patellaluxatie gedaan worden?
Door het uitgerekte gewrichtskapsel met bandjes in te korten,
kan de luxatie tijdelijk verholpen worden.
Door het aangrijpingspunt van de kniepees recht onder de groeve
in het bovenbeen aan te brengen (te "transplanteren"), wordt
zoveel mogelijk een normale situatie gecreëerd. In gevallen
waarbij de groeve ondiep is (geworden), moet deze tijdens de
operatie worden uitgediept.
Bij zeer jonge dieren, die nog veel moeten groeien, wordt een
andere operatie toegepast waarbij met behulp van verankerde
draden de peesaanhechting recht onder de groeve wordt gebracht
zodat de groei niet wordt belemmerd en de bovenbeenontwikkeling
en spierontwikkeling geoptimaliseerd worden.
Deze operatie moet soms op latere leeftijd toch nog gevolgd
worden door de eerder beschreven transplantatietechniek.
Kan patellaluxatie bij de
kat worden voorkómen?
Bij bepaalde honden- en kattenrassen komt een patellaluxatie
veel vaker voor dan bij andere rassen.
Bij bepaalde hondenrassen, waar de patellaluxatie als probleem
al veel langer bekend is, is een erfelijke factor aangetoond.
Door de wijze van vóórkomen bij de kat is ook hier erfelijkheid
als oorzaak zeer aannemelijk.
De wijze van aanpak van dit probleem bij de kat hangt af van
verschillende factoren zoals (1) de frequentie van vóórkomen
binnen
één ras, (2) de mate van patellaluxatie (zie tabel I), (3) de
grootte van de totale populatie en de aanwezigheid van eventueel
andere erfelijke afwijkingen waarmee in de fokkerij rekening
gehouden wordt (of moet worden).
Hoe zou een rasonderzoek
kunnen worden opgezet?
Met hulp van een veterinair-geneticus die verstand heeft van
deze aandoening, kan een onderzoeksplan ontworpen worden,
bijvoorbeeld door:
1. een voldoende grote willekeurige (= aselecte) groep dieren te
onderzoeken om de incidentie (mate van voorkomen) en het type
(de typen) patellaluxatie vast te stellen,
2. de gevonden resultaten in te voeren in een genetische analyse
("stamboom") van het ras om hierdoor te weten te komen of de
afwijking vererft en hoe (dominant, recessief etc.) deze
vererft,
3. op grond van deze resultaten een screeningsprogramma op te
zetten (bv. alle ouderdieren onderzoeken of alle nakomelingen
onderzoeken om de fokwaarde van de ouders te beoordelen etc.)
Het lukraak onderzoeken van dieren zonder dat dit gebaseerd is
op een goed uitgevoerd voor-onderzoek zal nooit de gewenste
resultaten (het terugdringen van de incidentie of ernst van de
aandoening) kunnen opleveren.
Het vereist dus overeenstemming binnen een vereniging, bindende
afspraken met de leden en de fokkers en een budget om dit
onderzoek uit te voeren.
Hoe kan de diagnose
patellaluxatie gesteld worden?
Alleen bij de permanente (stationaire) patellaluxatie zou een röntgenfoto
van de achterbenen behulpzaam kunnen zijn voor het stellen van
de diagnose op een manier zoals bij de hond heupdysplasie of
elleboogdysplasie wordt onderzocht (Fig. 3).
Voor alle andere vormen (habitueel, luxabel, reponeerbaar) moet
het dier zelf onderzocht worden.
Dit onderzoek vereist deskundigheid die veelal bij dierenartsen
voor gezelschapsdieren aanwezig is.
Om alle dieren op uniforme wijze een beoordeling te kunnen geven
zoals bij een inventariserend onderzoek vereist is, verdient het
aanbeveling een kleine groep onderzoekers daarvoor uit te
nodigen.
Voor een dergelijk onderzoek bij honden heeft een groep van 11
dierenartsen (allen door de beroepsgroep officieel erkende
specialisten in de orthopedie van gezelschapsdieren) de
bevindingen en beoordelingsnormen op elkaar afgestemd en zij
verrichten het landelijk patellaluxatie-onderzoek bij de hond.
Fig.3
Röntgenfoto van bekken en kniegewrichten van een 8 maanden oude
kat.
Links (rechts op de foto) is een permanente patella luxatie naar
mediaal aanwezig.
Rechts (links op de foto) is een positie van de patella normaal.
(Röntgenfoto Vakgroep Radiologie, Faculteit der Diergeneeskunde,
Universiteit Utrecht)
Waarom zou je
patellaluxatie binnen een ras onderzoeken?
Patellaluxatie komt in allerlei gradaties voor en de ernstiger
vormen zijn invaliderend voor de betreffende kat. Patellaluxatie
binnen een ras is hoogstwaarschijnlijk erfelijk en dus door
goede maatregelen te voorkomen.
Mensen die aan een bepaald ras verknocht zijn zullen omwille van
de kwaliteit van leven van de dieren van dat ras bereid zijn
dergelijke maatregelen te nemen.
Bovendien hebben toekomstige eigenaren, kopers, recht op een
dier zonder erfelijke afwijkingen en kunnen ze morele en
juridische druk uitoefenen op de fokker om de schade
(aankoopkosten, operatiekosten en eventueel bijkomende kosten)
te vergoeden.
Een goed begeleid fokprogramma, gebaseerd op een goed uitgevoerd
inventariserend onderzoek en een deskundig fokadvies, kan veel
dieren- en mensenleed voorkomen.
De kattenverenigingen dienen hiertoe zelf het initiatief te
nemen.
Dr. H.A.W. Hazewinkel,
specialist chirurgie der gezelschapsdieren,
hoofd afdeling orthopedie van de Universiteitskliniek voor
Gezelschapsdieren,
Faculteit der diergeneeskunde, Universiteit Utrecht
Bron (met toestemming): Somali Abessijn Nederland (SAN)