Fokkerijbeleid voor raskatten
(Ed.J.Gubbels)
Inleiding
Fokkers van gezelschapsdieren zijn individualisten, al helemaal
wanneer het om dieren gaat die voor tentoonstellingen worden
gefokt. Ze hebben allemaal hun eigen plannetjes en hun eigen
geheime “winnende recepten”.
Daarmee hopen ze hun collega’s de loef af te steken en die ene
èchte topper op de volgende show fokken.
Er is er weinig openheid over de fokkerij. Die openheid
ontbreekt al helemaal wanneer het over de erfelijke problemen
bij fokdieren gaat. En dus overkomt het die fokkers regelmatig
dat ze allemaal dezelfde besluiten nemen en daarmee ook allemaal
dezelfde “fouten” maken en, erger nog, elkaars fouten
versterken.
In
de sportfokkerij kennen we daar tal van voorbeelden van. Neem nu
die fraaie kater die het kampioenschap behaalt.
Veel fokkers zouden ook zulke fraaie dieren willen fokken en
gaan “dus” naar die kater voor een dekking.
Wat ze niet beseffen is dat deze fraaie kampioen, net als elke
andere kat in het ras, de aanleg voor enkele tientallen
erfelijke afwijkingen bij zich draagt.
Het gevolg laat zich raden. Wanneer enkele generaties later de
afstammelingen van deze kater onderling worden gepaard, is er
een reëele kans dat de erfelijke belasting van de kater
zichtbaar wordt bij de kittens.We krijgen dan “onverwacht”
kittens met erfelijke gebreken.
Meestal gaat het om de afwijkingen die al algemeen verspreid in
het ras voorkwamen, een enkele keer zorgt die veelgebruikte
kampioen voor een explosieve toename van weer een volgend
erfelijk probleem in het ras.
De fokkers wilden de “goeie genen” van de kater in hun lijn
vastleggen en binnen het ras verbreiden.
Meestal zal dat ook wel gelukt zijn. Wat ze nauwelijks beseffen
is dat ze daarmee ook de minder goeie genen van die kater hebben
vastgelegd en verbreid.
Met deze fokmethode en de selectie die daarbij wordt toegepast
lukt het niet om alleen maar de “goeie” genen te verspreiden, de
“slechte” en de “ongewenste” genen gaan net zo hard mee.
Er is dringend behoefte aan een andere aanpak.
Er is toch een
fokdoel ?
Bij de fokkerij van gezelschapsdieren, ook van raskatten, hebben
we altijd stilzwijgend aangenomen dat het fokkerijbeleid
uitsluitend een zaak van de fokkers is. Immers, elke
rasvereniging heeft in haar statuten staan dat het behouden en
het verbeteren van het ras de basisdoelstellingen zijn.
Deze doelstellingen lijken helder, ze werden en worden nog
steeds door vrijwel elke fokker onderschreven en het lijkt dus
alleen nog maar een kwestie van uitvoeren.
Bekijken we onze doelstellingen wat kritischer, dan blijken er
toch nog een paar vragen te zijn.
Wat bedoelen we eigenlijk met “behouden”? Wat willen we
behouden? Is dat de uiterlijke verschijningsvorm, het exterieur
van het ras? Of gaat het ook om het typische gedrag dat elk ras
kenmerkt, om de “eigenheid” van het ras? En zijn er dan ook
kenmerken bij sommige rassen, die we maar liever niet behouden?
En daarmee komen we bij “verbeteren”. Verbeteren betekent "beter
maken dan het was", veranderen in een richting (naar een
toestand) die we beter vinden. Maar wie is in dit geval "we"?
Zijn dat de fokkers? Misschien wel de keurmeesters? Of de
kittenkopers? Zijn dat sommigen van ons of zijn we dat allemaal?
Wie vond eigenlijk dat wat “beter”moest?
En hoe liep dat af voor de katten, waren die er daarna beter aan
toe?
Toen we besloten het ras te gaan behouden, was het toen al niet
erg mooi? Moesten we eigenlijk wel zoveel verbeteren?
We moeten aannemen dat er in de beginfase van onze
stamboekfokkerij alle aanleiding was tot enige verbetering.
De meeste rassen zijn ontstaan als groepen “min of meer op
elkaar lijkende katten”.
Ze waren als groep herkenbaar maar binnen de groep kwamen nog
wel erg veel verschillen voor.
Een beetje meer homogeniteit kon geen kwaad. Maar hoe ver moeten
(kunnen) we gaan met dat verbeteren van het exterieur, met het
streven naar homogeniteit?
En als we het dan toch over “verbeteren” hebben, dan zijn er ook
nog die typische kenmerken van rassen. Moeten de neuzen nog
korter? Of de oren nog groter? Moeten de lijven van die katten
nog slanker en hoger of misschien wel nog ronder en compacter?
Zijn daar criteria of grenzen voor aan te geven?
En hoe verhoudt zich al die aandacht voor het exterieur tot de
“kenmerken” gezondheid en gedrag?
Welk deel van onze selectieruimte moeten we daaraan besteden?
Hoe definiëren we een goede gezondheid en een goed gedrag? Is
dat alleen maar een kwestie van niet-ziek en niet-afwijkend?
Waar het om het exterieur gaat kunnen we denken in termen van
mooi, mooier, mooist. Dat kunnen we meten (vergelijken).
Over gezond, gezonder, gezondst hoor je bijna nooit, dat kunnen
we ook helemaal niet meten.
Terwijl ons voor het gedrag al helemaal de woorden ontbreken om
onderscheid te maken tussen goed, beter en best.
Kortom, het zou zeer wenselijk zijn als we eens zouden proberen
heldere criteria vast te stellen zodat we de fokdoelen
“behouden” en “verbeteren” een inhoud geven die voor iedereen
begrijpelijk is en die door iedereen wordt geaccepteerd.
Er zijn te veel vragen, ook voor de fokkers, ook zij hebben
behoefte aan een zo concreet mogelijk “fokdoel”.
Wensen en eisen van
belanghebbende partijen
Hoe we het ook wenden of keren, het zijn de fokkers die de
kwaliteit van volgende generaties bepalen.
Zij stellen hun prioriteiten in de selectie, zij besluiten over
de inzet van fokpoezen en zij maken hun keuzen ten aanzien van
de daarbij te gebruiken katers. De opgetelde keuzen en
prioriteiten van alle fokkers samen bepalen de toekomst van het
ras.
Ze maken wat “men” (de maatschappij) ziet als “het ras”.
En vervolgens is er geen ontkomen aan; de gezamenlijke fokkers
worden aangesproken op alle positieve en negatieve uitingen van
hun ras.
Dat lijkt heel terecht. We moeten daar natuurlijk wèl bij
aantekenen, dat er nogal grote verschillen zijn in de wijze
waarop individuele fokkers omgaan met de invulling die zij geven
aan het “behouden” en het “verbeteren”.
Sommigen zijn vooral bezig met het verbeteren van neuzen en oren
en lijken te vergeten dat er achter die neus en onder die oren
een dier zit dat recht heeft op kwaliteit van leven.
Gelukkig zijn er vele anderen die heel uitdrukkelijk bezig zijn
met de welzijnskwaliteit van en voor hun katten.
Bekijken we die positieve en negatieve uitingen van een ras wat
nauwkeuriger, dan blijkt dat ook de begrippen “positief” en
“negatief” niet voor iedereen dezelfde inhoud hebben.
Verschillende belanghebbenden, elk vanuit een eigen optiek,
hebben een eigen beleving van wat belangrijk, gewenst of nuttig
is (positief) en over wat ongewenst of zelfs schadelijk is
(negatief).
Waar de een helemaal lyrisch wordt over de fraaie typische vorm
van het hoofd, vraagt de ander zich bezorgd af of een dier met
zo’n hoofd nog wel normaal kan functioneren.
Een fokker van een schoothondenras legde ooit uit dat zijn ras
helemaal niet bedoeld was om te lopen, dat waren honden voor “op
schoot”. Hij vroeg zich af of al dat gezeur over
patella-problemen en andere functiestoornissen niet heel erg
misplaatst was.
We kunnen de belanghebbenden eens nalopen en proberen na te gaan
welke verwachtingen zij zouden kunnen hebben van de resultaten
van ons fokbeleid.
Het spreekt voor zich om eerst naar de belangen van de kat
te kijken.
Een kat, net als elk ander levend wezen, heeft recht op een
leven zonder pijn, angst, stress of andere vormen van gebrek aan
welzijn. De praktijk van het leven heeft ons geleerd, dat dit
ideaal niet altijd helemaal haalbaar is, zelfs voor ons mensen
niet.
Daar moeten we mee leren leven, dat zullen we moeten accepteren.
We kunnen wèl in het fok- en selectiebeleid voor onze katten
keuzen maken die de beste kansen bieden op het grootst mogelijke
welzijn voor de kittens die worden geboren.
Als we al iets aan het fokdoel zouden willen toevoegen namens de
kat, die wil alleen maar een kattenleven lang, gezond en in
welzijn leven. Ze hoeft niet persé het mooiste te zijn, als ze
maar kwaliteit van leven heeft.
De
belangen van de kittenkoper (de eigenaar, de “consument”)
gaan een rol spelen, zodra deze besluit een kat van een bepaald
ras aan te schaffen.
De aankomende eigenaar kiest voor een bepaald ras omdat hij
gecharmeerd is van het type, soms van het typische karakter van
het ras. Een enkele keer komen we een kittenkoper tegen die
vooral hoge verwachtingen heeft van de bijdrage aan zijn status
die het hebben van een kat van dit heel bijzondere ras oplevert.
De aankomende eigenaar begint met bepaalde verwachtingen die
worden niet altijd waargemaakt.
Bij teleurgestelde eigenaren kunnen we meestal geen scherp
onderscheid maken tussen “in de baas” en “in de kat” gelegen
oorzaken. Vaak zullen er duidelijk aanwijsbare problemen in de
kat aanwezig zijn, in ander gevallen veroorzaken gebreken en
tekortkomingen van de eigenaar de teleurstelling, al was het
maar omdat hij met een verkeerd verwachtingspatroon aan een kat
of aan een kat van dàt specifieke ras begon.
We kunnen wel in algemene termen een beeld schetsen van de
belangen, die eigenaren hebben.
Mensen kopen een kat om daar een kattenleven lang een knusse,
gezellige en een aangename huisgenoot aan te hebben.
Ook eigenaren, net als hun katten, hebben het recht op een leven
zonder pijn, angst, stress of andere vormen van gebrek aan
welzijn. Zij willen onbezorgd en onbekommerd kunnen genieten van
hun kat.
Ook voor katteneigenaren is dit ideaal niet altijd helemaal
haalbaar en ook zij zullen daarmee moeten leren leven.
Wat moeilijker is het, om van de belangen van de maatschappij
een beeld te krijgen.
Eigenlijk bestaat “de maatschappij” niet.
Er is veel meer sprake van een verzameling individuen, deels met
een positieve kijk op katten, deels neutraal ten opzichte van
katten en voor een klein deel met een hartgrondige hekel aan
katten.
En al die mensen met hun eigen beleving van katten, hebben hun
eigen recht op welzijn.
Daarbij mag het niet zo zijn dat de prijs voor de rechten van de
een, door de ander moet worden betaald.
Er is behoefte aan het vinden van een modus, een compromis.
Vooral de mensen die neutraal of negatief tegenover katten
staan, bepalen de door de maatschappij aan katten te stellen
eisen.
Vast staat, dat de maatschappij geen (over)last mag hebben van
de katten die wij fokken en houden.
Maar ook de begrippen last en overlast worden zeer bepaald door
de belevingswereld van de degene die met onze katten te maken
krijgt. Het is niet goed mogelijk daarvoor handzame criteria
vast te stellen. We kunnen ons slechts richten op de regels die
wij als mensen onderling hanteren wanneer we proberen "sociaal"
te zijn, wanneer we proberen in harmonie met de mensen in onze
omgeving te leven.
Tot slot zijn er ook nog de belangen van de fokker.
De fokkers zijn degenen die daadwerkelijk inhoud geven aan het
streven naar behoud van het ras.
Zij zijn degenen, die ervoor waken dat het typische uiterlijk en
het typische karakter van het ras voor de toekomst behouden
blijven. Zij zetten zich in voor het behoud van een stukje van
onze menselijke cultuurgeschiedenis.
Zij zijn ook degenen die ervoor moeten zorgen dat aan de wensen
en eisen van alle belanghebbenden wordt voldaan.
Daarbij komt dat zij zelf ook nog een paar wensen hebben.
Fokkers willen hun ras niet alleen maar behouden, ze willen het
ook verbeteren.
Het is voor hen een erezaak om de mooiste, de beste of de meest
rastypische katten te fokken.
De resultaten van hun fokkerij worden gemeten en vergeleken op
tentoonstellingen en de uitkomsten daarvan leveren de motivatie
en inspiratie om verder te verbeteren.
Uiteraard komt dit streven naar de mooiste of de beste boven op
de eis die fokkers met anderen delen dat de katten een goede
gezondheid en een goed (sociaal) gedrag moeten hebben.
Fokdoel
Gelukkig komen die wensen en eisen van de belanghebbende
partijen in grote lijnen overeen. Ze willen eigenlijk allemaal
“gezondheid” en “welzijn” voor katten.
In onze fokkerij zouden deze aspecten dus top prioriteit moeten
hebben. Eigenlijk is er maar één aspect waarover mogelijk
verschil van inzicht zou kunnen ontstaan, waar de doorsnee
kittenkoper al erg gelukkig is met “gewoon maar, een kat van dat
ras”, gaat de fokker op zoek naar de nòg betere
rasvertegenwoordiger.
Bij de formulering van ons fokdoel moeten we uitgaan van de
basisdoelstellingen die voor elk kattenras gelden: we willen het
ras behouden en verbeteren.
We dienen daarbij aan te tekenen, dat in deze doelstellingen een
strijdigheid schuilt.
Wie bezig is met verbeteren (veranderen) doet duidelijk
concessies aan het behouden. We kunnen die slechts omzeilen door
goed af te spreken wat we willen behouden en welke aspecten we
willen verbeteren (veranderen).
Daarbij zal de discussie zich ongetwijfeld toespitsen op de
vraag welke van de huidige kenmerken van het ras al "voldoende
rastypisch" zijn (die we dus alleen maar hoeven te behouden) en
welke kenmerken mogen (moeten) worden veranderd.
Behouden
Voordat we toe zijn aan “behouden” moeten we eerst vaststellen
wat we willen behouden.
Een ras bestaat uit een groep individuen die samen een genenpool
van het ras vormen (bezitten).
Door het aangaan van onderlinge paringscombinaties wordt deze
genenpool door elke generatie doorgeven naar de volgende.
Wanneer we een ras willen behouden, moeten we er dus voor zorgen
dat die genenpool behouden blijft.
Er is maar één manier om de genenpool van een ras te behouden:
we moeten onze fokdieren zodanig gespreid kiezen uit alle
geledingen van het ras, dat ze allemaal samen het genenbezit van
het ras doorgeven naar de volgende generatie.
We zullen elke generatie opnieuw een zo goed mogelijke
steekproef van het erfelijke materiaal van het ras moeten
doorgeven.
In
de praktijk van de gezelschapsdierenfokkerij wordt hier op grote
schaal tegen gezondigd.
Fokkers hebben de neiging om elke generatie opnieuw op zoek te
gaan naar een zo klein mogelijke groep “topdieren” die als
ouders voor de volgende generatie worden ingezet.
Daarmee gaat elke generatie opnieuw een deel van de erfelijke
variatie van het ras verloren.
Dit fokbeleid heeft een aantal nare gevolgen.
We zien de genenpool langzaam maar zeker kleiner worden en
daarmee het inteeltniveau toenemen. Naarmate het inteeltniveau
toeneemt, neemt de vitaliteit van het ras af. De dieren worden
gevoeliger voor alle mogelijke omgevingsinvloeden, ze worden
vaker, sneller en ernstiger ziek en het percentage bange en
nerveuze dieren neemt toe.
Bijna zonder uitzondering zien we de gemiddelde levensduur van
rassen afnemen bij het toenemen van het inteeltniveau.
Ook de vruchtbaarheid gaat achteruit omdat er in alle fasen van
het voortplantingsproces stoornissen optreden.
Poezen nemen vaker niet op, het aantal bevruchte eicellen neemt
af, het aantal geboren kittens wordt kleiner en de kittensterfte
neemt toe.
Het voor de korte termijn meest opvallende en meest dramatische
gevolg van toenemende inteelt is de explosieve toename van
erfelijke gebreken en stoornissen.
In natuurlijke populaties houden we rekening met frequenties van
erfelijke afwijkingen die we uitdrukken in promillen, bij
ingeteelde rassen zien we erfelijke afwijkingen in procenten,
soms zelfs in tientallen procenten optreden.
In het licht van onze doelstellingen kunnen we het gevolg van
deze fokkerijmethode op twee manieren aanduiden: we doen geen
recht aan onze primaire doelstelling “behouden” en we
veroorzaken een situatie waarbij de gezondheid en het welzijn
van onze katten worden geschaad.
Daarmee, ondanks alle goeie intenties en oprechte bedoelingen,
schieten we ons doel volledig voorbij.
Verbeteren
Wanneer fokkers het hebben over “verbeteren”, dan komen er al
gauw allerlei beschouwingen over het verbeteren van het
exterieur. De katten zouden nòg fraaier, nòg rastypischer kunnen
worden.
Wie in de fokkerij van een ras is ingevoerd, kan feilloos
aangeven op welke punten er nog verbeteringen mogelijk zijn.
Het is echter de vraag in hoeverre het gerechtvaardigd is om
daaraan de hoogste prioriteit in ons selectieprogramma te geven.
Het lijkt erop dat verdere ontwikkeling van rastypische
kenmerken eerder het sluitstuk dan het startpunt van een fok- en
selectieprogramma zou moeten zijn.
Bij de bespreking van de belangen zagen we dat “welzijn van
katten” het centrale thema is voor alle betrokken partijen.
"Welzijn" is echter zo'n begrip waar we weinig mee kunnen.
In concrete situaties kunnen we meestal goed aangeven of er
sprake is van gebrek aan welzijn.
We kunnen welzijn echter niet meten en dus zijn er geen
mogelijkheden om “de mate van welzijn” als eigenschap (als
kenmerk) van de kat in een selectieprogramma op te nemen.
Welzijn is nu eenmaal heel wat anders dan “niet-ziek” of
“niet-gestresst”.
We zijn bij de selectie ten gunste van welzijn aangewezen op een
indirecte benadering.
Bij elk kenmerk moeten we ons afvragen of het in zijn huidige
vorm, eventueel in de “verbeterde” vorm, bijdraagt of afbreuk
doet aan welzijn van de kat.
In de praktijk van de fokkerij zal het dan ook meestal zo zijn
dat de selectie ten gunste van welzijn vooral loopt via het
uitsluiten van dieren die ongewenste (welzijnsaantastende)
kenmerken hebben of vererven.
Fokkerijbeleid
In de huidige praktijk van de raskatten fokkerij wordt
"positieve selectie" toegepast.
We kiezen de beste katten van het ras en zetten die in als
fokdier.
Dat betekent, dat we een heel beperkte steekproef uit het
erfelijke materiaal van de oudergeneratie nemen, we gebruiken
alleen de “beste” paar procent van de populatie en sluiten
negentig procent of meer uit.
Bij deze selectie van onze fokdieren wordt de inhoud van de
begrippen “goed”, “beter” en “best” bepaald door de criteria
die daarbij worden gehanteerd.
Meestal worden deze begrippen vooral ingevuld vanuit de
beoordeling van het exterieur van de katten.
De termen goed, beter en best geven geen informatie over wat in
genetische zin in het belang zou zijn van het ras.
De groep fokdieren zal in veel gevallen onderling nauw verwant
zijn en vormt vrijwel zeker geen goede afspiegeling van het
erfelijke materiaal dat bij de oudergeneratie aanwezig was.
Elke generatie opnieuw gaat daardoor een deel van het erfelijke
materiaal van het ras verloren en met het vorderen van de
generaties gaan we de nadelige gevolgen daarvan in toenemende
mate merken.
Als we dit proces van verlies van erfelijke variatie, van
toenemend inteeltniveau en van achteruitgang van het gemiddelde
welzijnsniveau van het ras willen stoppen, dan zullen we anders
om moeten gaan met onze fokkerij en selectie.
Dat kan alleen wanneer de fokkers er in slagen daar samen
afspraken over te maken.
We hebben in principe twee manieren om dat anders aan te pakken.
We zouden in ieder geval over moeten schakelen op "negatieve
selectie".
We sluiten alleen de dieren uit die ècht afwijken van het
rasbeeld zoals dat in de standaard wordt voorgeschreven.
We sluiten bovendien alle dieren uit die welzijnsstoornissen
hebben waarvan we in redelijkheid kunnen vermoeden dat ze een
erfelijke basis hebben.
We bereiken daarmee dat de meeste dieren in principe in
aanmerking komen om deel te nemen aan de fokkerij.
We wijzen vervolgens binnen de overblijvende groep dieren de
fokdieren aan.
Die fokdieren moeten uit alle geledingen van het ras worden
betrokken zodat ze samen een zo goed mogelijke steekproef uit
het genetisch materiaal van het ras vormen.
Bij
rassen, die vanwege hun (genetisch) beperkte omvang en/of hun al
veel te hoog niveau van inteelt grote (welzijns)risico's lopen,
moeten we andersom te werk gaan.
We mogen daar helemaal geen herkomsten (lijnen) meer verliezen
en zijn dus genoodzaakt om uit elke "familie" fokdieren aan te
houden.
We passen daar "familieselectie" toe.
Bij familieselectie ligt de eerste prioriteit bij het verkrijgen
van een zo goed mogelijke steekproef uit het erfelijke materiaal
van het ras. We willen immers niet nog meer van de erfelijke
variatie verliezen.
We kiezen de beste dieren binnen de beschikbare families, ook
als die “beste” dieren niet helemaal aan onze eisen voldoen.
We zullen hierbij dus af en toe (soms zelfs vaak) concessies
moeten doen aan onze selectiecriteria.
Dit lijkt in aanvang een heel onaantrekkelijke manier van fokken
en selecteren. We moeten daar echter bij bedenken dat we in de
opeenvolgende generaties met onze selectie steeds dichter bij de
idealen komen die we hebben gesteld, we kunnen stapje voor
stapje steeds strenger selecteren.
Bovendien, voortzetting van de huidige fok- en selectiemethode
leidt tot een situatie waarin de gezondheids- en
welzijnsproblemen harder toenemen dan we ze kunnen oplossen.
De rol van
rasverenigingen
Bij de fokkerij van raskatten speelt de uiterlijke schoonheid
van de kat een belangrijke rol.
Het is het vertrekpunt voor de meeste fokkers. Ze worden gefascineerd door
de verschijningsvorm en de uitstraling van “hun ras” en willen
daaraan bijdragen.
Daar is niets op tegen, in tegendeel, dankzij de inzet van al
die fokkers konden allerlei rassen overleven, gingen ze niet
verloren in de nietsontziende egalisering die we overal in onze
maatschappij waarnemen.
Rassen vertegenwoordigen een stukje van de menselijke
cultuurgeschiedenis, ze zijn het waard om te worden behouden.
De gezondheids- en welzijnsproblemen die we bij nogal wat rassen
waarnemen zijn vooral het gevolg van het individualisme in de
fokkerij. Fokkers maken keuzes in hun lijn en voor hun cattery
waar in de meeste gevallen weinig of niets op aan te merken is.
Het probleem is, omdat er geen gezamenlijk beleid is voor het
beheer van de totale populatie van het ras, pakt het resultaat
van al die keuzes tezamen nog wel eens verkeerd uit.
Daarin zit het knelpunt, niet alleen voor raskatten, ook voor
andere diersoorten die in de hobbysfeer worden gefokt.
Willen we in die situatie verandering brengen, dan zullen de
fokkers bereid moeten zijn om samen met hun overkoepelende
organisatie (met hun rasvereniging) tot afspraken te komen over
het fokkerijbeleid.
Fokkers zullen moeten beseffen dat ze op sommige problemen geen
vat kunnen krijgen zo lang ze dat in hun eentje proberen te
doen. Alle fokkers samen beheren de genenpool van het ras. Ze
zijn ieder afzonderlijk ten zeerste afhankelijk van het
fokkerijbeleid van al hun collega’s.
Het gaat bij een dergelijke samenwerking niet om het bereiken
van een “centraal geleide fokkerij”.
Het gaat erom een aantal gedragsregels af te spreken die in het
belang van het ras zijn. Dat leidt natuurlijk zo hier en daar
tot beperkingen, het is echter niet zo dat daarmee het einde in
zicht is van de vrijheid van de fokker.
Er blijft nog alle ruimte voor elke fokker om zijn eigen
accenten in zijn lijnen te verankeren en zijn eigen
fokkerij-idealen waar te maken.
Indien we er in slagen om tot een ander fok- en selectiebeleid
te komen, indien het lukt om het verdere verlies van erfelijke
variatie van het ras af te remmen of helemaal te stoppen, dan
hebben we voor het ras onze eerste grote winst binnengehaald.
We hebben dan bereikt dat een aantal negatieve ontwikkelingen op
het vlak van gezondheid en welzijn tot staan worden gebracht. De
vitaliteit gaat niet verder achteruit en er komen geen nieuwe
explosies van erfelijke afwijkingen.
De fokkers kunnen dan in alle rust gaan selecteren tegen de
afwijkingen die tot rasprobleem zijn geworden zonder dat ze
telkens verrast worden door weer nieuwe problemen die de kop
opsteken.
Het woord is aan de fokkers, zij hebben de toekomst van hun
ras in handen.
Geschreven door en
geplaatst met toestemming van:
Ed.J.Gubbels, geneticus,
Instituut Genetic Counselling Services,
maart 2005.