Identificeren en
certificeren
(Ed.J.
Gubbels, geneticus)
Fokken is een kwestie van afwegen, van keuzes maken en
beslissingen nemen.
We beoordelen de dieren die we voor de fok willen gebruiken
allereerst op hun eigen kwaliteiten.
We willen natuurlijk alleen maar met dieren fokken die over de
beste eigenschappen beschikken.
Als we daar beter over nadenken, wat we eigenlijk willen is een
volgende generatie die over de beste eigenschappen beschikt.
Fokkers zijn meer geïnteresseerd in de erfelijke aanleg van hun
fokdieren dan in de uiterlijke eigenschappen van de dieren zelf.
Daarom gaan ze zorgvuldig na hoe het zit met de familie van hun
fokdieren. Wat voor ouders zitten er achter? Hadden die
erfelijke problemen? Hoe hebben de nestgenoten het gedaan? Waren
er problemen in de familie waarvan we in onze eigen fokkerij
last zouden kunnen hebben?
Gegevens over familieleden zijn erg belangrijk, ze geven een
beeld van de erfelijke risico’s die we bij de inzet van onze
fokdieren lopen.
In toenemende mate krijgen we bij de fokkerij hulp van de
veterinaire (en de medische) wetenschap.
Er worden steeds meer gezondheidsonderzoeken en -testen
ontwikkeld.
Al langer zijn er de echografische hart- en nieronderzoeken, de
röntgenologische heup- en elleboogonderzoeken en een hele reeks
van klinisch-chemische onderzoeken die ons extra informatie
opleveren over de (erfelijke) kwaliteiten van potentiële
fokdieren.
In de laatste jaren zijn daar de DNA-markers bijgekomen.
We kunnen nu al voor een aantal kenmerken het genotype (de
erfelijke aanleg) van de fokdieren vaststellen.
Dankzij de DNA-markers weten we of ze voor die kenmerken
“lijder”, “drager” of “vrij” zijn. Daarmee kunnen we die
afwijkingen binnen een aantal jaren volledig uitbannen.
In de komende tijd zal het aantal DNA-testen dat voor onze
gezelschapsdieren beschikbaar komt in razend tempo toenemen.
Vooral voor honden en katten wordt door een groot aantal
onderzoeksinstituten hard gewerkt aan de ontwikkeling van
DNA-markers.
Daarmee krijgt de fokker steeds meer hulpmiddelen om te
voorkomen dat de volgende generatie lijdt aan allerlei
gezondheids- en welzijnsstoornissen.
Een hele reeks van erfelijke afwijkingen die voorheen bijna
onuitroeibaar leek, kan binnen een beperkt aantal jaren tot het
verleden gaan behoren.
Ook de fokkers gaan in deze ontwikkeling mee. Steeds meer
fokkers zien het belang in van deze gezondheidsonderzoeken, ze
willen zoveel mogelijk betrouwbare informatie hebben over de
erfelijke aanleg van fokdieren.
Ook de rasverenigingen raken ervan overtuigd dat deelname aan
dit soort onderzoeken persé moet, in het belang van het ras.
De onderzoeksresultaten, niet alleen van de fokdieren zelf, ook
van hun verwanten, worden alsmaar belangrijker om de juiste
beslissingen te nemen in de fokkerij.
Betrouwbare
afstammingsgegevens
Wanneer we de gegevens van verwante dieren willen gebruiken bij
onze fokkerijbeslissingen, moeten we er natuurlijk wel zeker van
kunnen zijn dat de afstammingsgegevens kloppen.
Bij rashonden is dat geen probleem. Alle dieren worden
“geïdentificeerd”, ze worden voorzien van een unieke chip en het
chipnummer wordt vermeld op de stamboom en in het stamboek.
Daarmee ligt eenduidig vast welk dier we bedoelen als we het
over een bepaald dier hebben.
Met een eenvoudige “reader” (een elektronisch apparaatje) kunnen
we het chipnummer lezen en vaststellen of het dier en het
stamboomcertificaat bij elkaar horen.
Bij een groot deel van de raskatten (en bij sommige niet-erkende
hondenrassen) is dat minder eenvoudig.
Er is bij de meeste kattenstamboeken geen verplichting tot
identificeren.
Daarmee worden er stambomen uitgegeven die alleen voor de fokker
zelf “waarde” hebben.
In principe kunnen deze stambomen worden gebruikt bij elke kat
van hetzelfde ras, hetzelfde geslacht en dezelfde kleur.
Er is niemand die met eenvoudige middelen kan controleren of het
dier en de bijgeleverde stamboom ook echt bij elkaar horen.
Een buitenstaander kan alleen maar afgaan op het “erewoord” van
de fokker of de eigenaar.
Dat maakt dat die stambomen in principe waardeloos zijn wanneer
er door anderen belangrijke conclusies aan moeten worden
verbonden.
Het probleem is dat het “erewoord” voor sommigen een nogal ruim
begrip is.
Bij de huidige ontwikkelingen, waarbij er steeds meer informatie
beschikbaar komt die van belang is voor àlle fokkers, is het
identificeren van dieren bij inschrijving in het stamboek een
absolute noodzaak.
Een betrouwbare afstammingsregistratie begint met de verklaring
van de fokker dat zijn geïdentificeerde pups of kittens van met
name genoemde ouders afkomstig zijn.
De aangewezen ouders zijn vindbaar en controleerbaar omdat ze
ook voorzien zijn van een chip waarvan het nummer in de
afstammingsregistratie is vastgelegd.
Uiteraard komen er in een dergelijke registratie ook wel eens
fouten voor.
Het zou zomaar kunnen gebeuren dat de fokker zich vergist. Hij
zou een verkeerde vader kunnen aanmelden voor de registratie of
misschien werden er pups of kittens van andere ouders toegevoegd
aan het nest.
In principe hoeft dat voor de fokkerij geen probleem te zijn.
Wanneer het ècht belangrijk is kan de afstamming worden
gecontroleerd door van de pups of kittens en hun veronderstelde
ouders de DNA-profielen te bepalen en die te vergelijken. Bij
dit soort vergissingen kan, als dat nodig is, duidelijkheid
worden geschapen.
Ook voor deze afstammingscontrole is de chip en het chipnummer
weer van belang.
Het heeft meestal weinig zin om een DNA-profiel vast te stellen
voor een dier waarvan we alleen maar het ras, het geslacht en de
kleur weten.
Betrouwbare
onderzoeksgegevens
Wat geldt voor de afstamming van dieren, geldt op dezelfde wijze
ook voor resultaten van gezondheidsonderzoeken.
Het komt nog steeds voor dat eigenaren hun dieren laten
onderzoeken op allerlei afwijkingen en daarbij nalaten de
identiteit van het dier te laten vaststellen.
De uitslag van een onderzoek bij een dier waarvan de identiteit
niet werd gecontroleerd en bevestigd (of waarvan de identiteit
niet te controleren is) is hooguit voor de eigenaar van belang.
Voor alle andere eigenaren en voor de fokkers is dit een
waardeloos document. Ook hier geldt weer dat het “erewoord” van
de eigenaar onvoldoende garantie biedt wanneer op basis van dit
rapport fokkerijbeslissingen moeten worden genomen.
Indien we gegevens willen verzamelen die van
waarde zijn voor de fokkers, en dus voor het fokkerijbeleid van
het ras, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan.
De eigenaar die het dier voor onderzoek aanbiedt zal een kopie
van het identiteitsdocument (bijvoorbeeld van de stamboom)
moeten meebrengen waarop het identificatienummer (het
chipnummer) van het dier is vermeld.
Degene die het onderzoek uitvoert of het monster voor het
onderzoek afneemt (meestal een dierenarts) controleert en stelt
vast dat het chipnummer van het dier overeen komt met het nummer
op de kopie van het identiteitsdocument.
Hij zet er zijn handtekening voor dat het dier waaraan hij het
onderzoek doet of waarvan hij het monster afneemt, het dier is
dat op de kopie is vermeld.
Dankzij deze controle en vervolgens de handtekening van degene
die de identiteit van het dier vaststelde wordt ook voor anderen
aannemelijk gemaakt dat dit onderzoeksresultaat verkregen werd
door onderzoek aan het genoemde dier.
Dat is belangrijk omdat het resultaat daarmee met recht kan
worden opgenomen in een registratie waaruit de fokkers hun
informatie kunnen halen. Op deze wijze krijgt het
onderzoeksgegeven van dat ene dier waarde voor het
fokkerijbeleid van het hele ras.
Bewaking van de kwaliteit
van onderzoek
Nadat de stamboeken het identificeren (chippen) van dieren
verplicht hebben gesteld en nadat er afspraken zijn gemaakt over
het vaststellen en bevestigen van de identiteit van dieren die
voor onderzoek worden aangeboden, blijft er nog één stap te
gaan.
Ook degenen die de identiteit moeten controleren en degenen die
onderzoek doen vergissen zich wel eens.
In de haast en de drukte kan het wel eens voorkomen dat de
identiteit van het dier niet goed wordt gecontroleerd.
Het chipnummer wordt dan overgenomen van de kopie van het
registratiedocument en daarmee wordt ten onrechte de indruk
gewekt dat er iemand borg voor staat dat het resultaat van
onderzoek bij het genoemde dier hoort.
Dat gaat mis zodra inderdaad blijkt dat er een
onderzoeksresultaat bij het verkeerde dier werd afgegeven.
Dergelijke fouten zijn natuurlijk zeer schadelijk voor het
vertrouwen dat de fokkers hebben in het systeem van meten en
registreren. Bovendien, zodra blijkt dat er inderdaad wat fout
is gegaan, is de situatie ineens bijzonder onduidelijk, niemand
weet wie hij moet aanspreken voor de vervelende gevolgen van een
dergelijke misser.
Ook op andere wijze kan er discussie ontstaan over de waarde van
onderzoeksresultaten.
Met name wanneer meerdere beoordelaars onafhankelijk van elkaar
eenzelfde onderzoek uitvoeren, is er altijd een zeker risico dat
er systematische verschillen tussen de beoordelaars ontstaan.
Wat de een “best nog redelijk” vindt, vindt de ander “slecht”.
Er
is een overleg- en toezichtsorgaan nodig dat de resultaten van
metingen analyseert en ervoor waakt dat bij deze beoordelingen
een standaardprocedure en een standaardclassificatie wordt
toegepast.
Er moet een onafhankelijk instituut zijn dat het vertrouwen van
de beoordelaars geniet en dat de onderzoeksresultaten in
overzichtelijke vorm voor hen beschikbaar maakt.
Dat instituut moet over de resultaten van de analyses met de
onderzoekers het gesprek aangaan om tot een zo hoog mogelijk
niveau van standaardisatie te komen. Dit om te bereiken dat het
niet meer uitmaakt of de uitslag van een onderzoek door de ene
of door de andere onderzoeker werd vastgesteld.
Voor de fokkers, degenen die met deze resultaten hun fokbeleid
moeten maken, is dat erg belangrijk.
Ze moeten er blind op kunnen vertrouwen dat de uitslag “goed”
ook “goed” is, zonder dat ze zich moeten afvragen wie deze
uitslag heeft vastgesteld.
Het certificeren van
gezondheidsonderzoek
Individuele fokkers, rasverenigingen en stamboekvoerende
organisaties zijn meestal onvoldoende uitgerust om alle aspecten
van gezondheidsonderzoeken te overzien en te bewaken.
Het beoordelen van de onderzoeksmethodiek, het overleg met de
specialisten en het analyseren van de onderzoeksresultaten
vraagt specialistische kennis die vaak niet voorhanden is.
Bovendien, omdat de fokkers en hun organisaties
direct-belanghebbend zijn, komen verschillen van inzicht en
geschillen te
snel in de sfeer van tegenstellingen tussen ongelijkwaardige
partijen.
Deze knelpunten kunnen worden voorkomen indien er een
onafhankelijk instituut is dat namens de fokkers en hun
vertegenwoordigende organisaties deze taken behartigt.
Het instituut vervult de brugfunctie tussen enerzijds de
eigenaren en fokkers en anderzijds de onderzoekers en
onderzoeksinstituten. Dat certificerend instituut heeft als
primaire taak de kwaliteitsbewaking van het onderzoek, het
overlegt namens de fokkers over de te kiezen onderzoeksmethodiek
en het certificeert de onderzoeksresultaten.
Uiteraard moet dat certificerende instituut over voldoende
specifieke kennis beschikken om enerzijds als gesprekspartner
voor de onderzoekers en anderzijds als gesprekspartner voor de
fokkers op te treden.
Een certificerend instituut vervult een aantal taken,
betreffende het onderzoek en de onderzoekers:
●
het gaat overeenkomsten aan met onderzoekers en
onderzoeksinstituten om tot een gestandaardiseerde uitvoering
van
onderzoeken en testen te komen,
●
het stelt in samenspraak met de betrokken onderzoekers (de
deskundigen) de onderzoeksprotocollen op en behartigt daarin de
specifiek de belangen van eigenaren en fokkers,
●
het verricht de analyses van onderzoeksresultaten per
beoordelaar, rapporteert daarover aan de onderzoekers en
onderzoeksinstituten en overlegt met hen over eventuele
gesignaleerde knelpunten,
betreffende de organisaties van fokkers en
eigenaren:
●
het overlegt met fokkers, rasverenigingen en
stamboekvoerende organisaties over wenselijke
gezondheidsonderzoeken en zoekt met hen naar een haalbare wijze
van invulling daarvan,
●
het gaat samenwerkingsovereenkomsten aan met
organisaties van fokkers en eigenaren over de te leveren
ondersteuning en rapportages,
●
het verricht de analyses van de
onderzoeksresultaten per ras, rapporteert daarover aan
rasverenigingen en stamboekorganisaties en overlegt met hen over
eventuele gesignaleerde knelpunten,
●
het ondersteunt de rasverenigingen en
stamboekorganisaties bij het interpreteren van de bevindingen en
adviseert desgewenst over een te voeren fokkerijbeleid naar
aanleiding van die bevindingen.
betreffende de fokkers en eigenaren:
●
het verstrekt certificaten waarin is vastgesteld
welke uitslag van onderzoek bij een met name genoemde
geïdentificeerd dier behoort,
●
het maakt de achtergrondinformatie beschikbaar
zodat het voor de eigenaar helder is op welke wijze en volgens
welke procedure het resultaat tot stand kwam,
●
het doet aanvullend onderzoek in gevallen waarin
er gronden zijn voor gerede twijfel aan de juistheid van het
gerapporteerde resultaat.
Samenvattend, het certificerende instituut draagt zorg voor de
borging van de kwaliteit van gezondheidsonderzoeken zodat de
fokkers over de meest betrouwbare onderzoeks- en testresultaten
kunnen beschikken.
Dat kan natuurlijk alleen maar als de fokkers of hun
stamboekorganisaties ervoor zorgen dat de dieren waar het om
gaat individueel herkenbaar zijn; ze moeten geïdentificeerd
zijn.
Geschreven door en geplaatst met toestemming van:
Ed.J.Gubbels, geneticus,
instituut Genetic Counseling Services,
juli 2005